In het zuid – oosten van de provincie Groningen, ingeklemd tussen het huidige Drenthe en Duitsland ligt Westerwolde. Het gebied was door Lodewijk de Duitser in de 9e eeuw geschonken aan het Duitse klooster Corvey, dat viel onder het bisdom Osnabrück. Dus viel Westerwolde kerkelijk onder Osnabrück. Bestuurlijk werd de streek onder het gebied van de bisschop van Münster gerekend. De omringende gebieden, zoals de stad Groningen, viel als Drents dorp met het omliggende Gorecht onder het bisdom Utrecht.
De bisschop van Münster was leenheer (toezichthouder) over Westerwolde, voor keizer Karel de Grote. In 1316 sloten de Westerwolders (geheel vrijwillig en zonder dwang van buitenaf) een overeenkomst met de bisschop, waarbij de bisschop Heer van Westerwolde werd. Er werd hoendergeldbelasting afgesproken.
De Westerwolders zegden hierbij toe:
– De hoenderbelasting te betalen: Jaarlijks 1 hoen per huis met schoorsteen
– het helpen van de bisschop
– geen versterkingen zonder toestemming te bouwen
De bisschop beloofde:
– de belastingen niet te verhogen
– regels en gewoonten te respecteren
– geen invloed op de rechtspraak uit te oefenen
Corvey gaf Westerwolde in de tweede helft van Middeleeuwen weer in leen aan het geslacht Addinga dat hun land was kwijtgeraakt door het oprukken van de zeespiegel van de Dollard. Deze heren bouwden het slot te Wedde en voerden een nogal hardvochtig bewind. Ze hebben lak aan de Westerwolds landrecht en verplaatsen de rechtspraak van Vlagtwedde naar hun eigen slot te Wedde. Ze hebben geen respect voor uitgesproken vonnissen, verhogen boetes (en eigenen zich een deel hiervan toe), stelen vee, goed en inboedels en laten het land van boeren onderlopen.
In de 15de eeuw kwam het tot een kookpunt. De bevolking van Westerwolde kwam in opstand en Egge II Addinga wordt in 1475 tussen de bruggen van zijn borg doodgeslagen. Hierna sloegen de Westerwolders op de vlucht voor de toorn van de familie Addinga.
