“Wij” zijn een groep enthousiaste grote en kleine lieden uit het Noord-Oosten van Nederland die een beetje verslaafd zijn aan het middeleeuwengevoel en die zich geheel vrijwillig, zonder welke dwang dan ook, af en toe terug verplaatsen in de tijd.
Dat doen wij door middel van re-enactment, oftewel het laten zien, voelen, ruiken en horen van een stukje geschiedenis. In ons geval willen wij u een kleine impressie geven van het dagelijks leven van een boerengemeenschap in Westerwolde in de late middeleeuwen.
Hieronder stellen we ons graag aan je voor!
.

Adelbert
De smid
Adelbert was rond 1455 smid voor het klooster te Aduard (Ad Sanctum Bernardum).
Daar verrichtte hij werkzaamheden en onderhoud aan de scharnieren en grendels van het klooster. Ook voorzag hij de monniken van allerlei landbouw gerei. Bij de ontginning van de venen is hij naar het voorwerk Everswolde getrokken.
Zijn bekendheid was groter dan gedacht en zo verzocht Addinga hem in 1473 de grendels en scharnieren van de burcht te vervangen. Na het verrichtten van deze arbeid zou de betaling volgen. Addinga was niet tevreden over de voortgang van het werk waardoor enkele gevangenen konden ontsnappen Volgens Addinga was het kwade opzet!
Adelbert is gevlucht voor de toorn van Addinga. Als vluchteling heeft hij onderdak gevonden bij de Westerwolders. Daar maakt hij gebruiksvoorwerpen om in zijn levensonderhoud te voorzien. Hij droomt van de terugkeer naar zijn vrouw en kinderen in de Boermarke van Eext (Eexterveen). Echter daar zal Addinga hem zeker zoeken.
Jobbe
De bedelaar
Jobbe’s verhaal is tot stand gekomen vooral door de verhalen die anderen van hem vertellen, zo goed en zo kwaad als dat ging, aan hem voor te leggen en hem te vragen of ze kloppen. Jobbe’s spraakvermogen is zo goed als verdwenen en ook lijkt zijn geestelijk vermogen te zijn aangetast. Er zijn er die denken, dat Jobbe slimmer is dan hij zich voordoet. Het zou hem goed uitkomen zich van de domme te houden. Zo zou het hem makkelijker vallen om een groot geheim, dat hij met zich meedraagt, voor de buitenwereld te verzwijgen.
Jobbe is door rondreizende vaganten gevonden. Het verhaal gaat dat zij Jobbe van de verdrinkingsdood hebben gered. Hij zou, tijdens een poging om een aal met blote handen te vangen, te water zijn geraakt. Deze vaganten hebben, met hun kennis van het leven, hem kunnen redden. Het was hen onmogelijk om hem mee te nemen op hun trektochten. Ook ons volk wilde hem niet opnemen, omdat het ons al zwaar genoeg viel de eigen monden te voeden. De vaganten hebben Jobbe op een paar uur gaans in de steek gelaten en hij heeft zelf de weg naar onze nederzetting teruggevonden.
Wie Jobbe goed bekijkt ziet ongetwijfeld dat hij niet van hier komt. Zijn tint en andere kenmerken komen niet voor bij de Westerwolders en ook niet bij de bewoners van aangrenzende streken. Jobbe komt zeker uit zuidelijker streken. Hoe hij in onze contreien verzeild is geraakt is onbekend.


Maria
De wolbewerkster
Ik ben Maria.
Elke dag kwam ik lopend vanuit het kerspel Sellingen naar het kerspel Wedde om in opdracht van Heer Addinga de zieken te verzorgen.
Tot het moment dat Heer Addinga vond dat ik te veel aandacht besteedde aan de zieken in de burcht. Om mijn vege lijf te redden heb ik mij aangesloten bij de Westerwolders, uit angst voor wraak.
Ik probeer mij nu op alle mogelijke manieren nuttig te maken voor de Westerwolders.
Ik ga mij bezig houden met allerlei ambachten, zoals het bewerken van wol en het beheren en herstellen van kleding. Zo hoop ik iets terug te doen, als dank voor de opvang.
Anne Albers
Mijn naam is Anne Albers en ik ben sinds kort aan het rondreizen met de Westerwolders, samen met mijn zusje Taelke, die een paar jaar jonger is dan ik. Wij zijn als enige overgebleven uit onze familie, daardoor zijn we ook dankbaar voor de Westerwolders, dat we ons bij hun kunnen aansluiten en ons nuttig kunnen maken voor de kleine groep. Ik ga stoffen verven, kleding maken, helpen met koken, en het maken van sieraden. Daarnaast heb ik veel interesse in kruiden.Mijn zus en ik zijn wezen omdat onze moeder als heks is weggejaagd uit de gemeenschap Veele, waar we beiden zijn opgegroeid. Nadat dit gebeurd is, heb ik mijn zusje meegenomen naar Wedde om op het Huis werk en onderdak te vinden. Dit liep wat anders, misschien ook omdat ik twee kinderen heb, want Heer Addinga liet ons van het terrein verwijderen, waarna we beiden door Adelheid in de taveerne werden opgevangen, zoals zij al meer mensen uit de klauwen van Addinga heeft gehaald.


Taelke Albers
Ik wil even vertellen wie ik ben.Ik heet Taelke Albers en kom uit Veele. Samen met mijn oudere zus Anne ben ik bij de Westerwolders gaan wonen en werken. Dit komt omdat we ons beiden in Veele niet meer veilig en ontheemd voelden, omdat onze moeder uit het gehucht is weggejaagd door de bevolking, omdat men dacht dat zij een heks was. Er was in het dorp iemand doodgegaan die mijn moeder alleen maar wilde helpen genezen met kruidendrankjes. Daardoor werd die familie zo woedend op onze moeder, dat ze haar met brandende fakkels het dorp uitgegooid hebben.
Anne en ik waren ons huis en moeder kwijt en zijn naar Wedde getrokken, om van de heer Addinga werk en onderdak te krijgen.
Hij schopte ons van het terrein en daarna heeft Adelheid ons in de taveerne opgevangen.
En konden we ons bij de Westerwolders aansluiten. Ik ga mij bezig houden met het maken van allerlei drankjes en het bewerken van wol. Zo hoop ik iets terug te doen, als dank voor de opvang.
Maghda
Maghda (Maghdalena) is de eerste dochter van een adellijke familie. Haar moeder overleed bij haar geboorte. Na een aantal jaren besloot haar vader te hertrouwen.
Haar stiefmoeder besloot dat er in het nieuwe gezin geen plaats meer was voor Maghda en ze werd naar het klooster gezonden. Gelukkig kon haar vader haar nog het lievelingsinstrument van haar moeder meegeven: de harp.
Deze harp met de naam Aurora heeft Maghda na het muzikale onderricht in het klooster leren bespelen. Haar tijd in het klooster was niet fijn en toen haar vriendin Silke besloot weg te lopen werd ook door Maghda de keus snel gemaakt, mee te gaan.
Na vele omzwervingen belandden ze in de Westerwolde in de herberg van Adelheid waar Maghda met harpspelen haar kostje verdient. En toen de Westerwolders op de vlucht sloegen voor Addinga bleef er ook voor Maghda geen andere keus dan mee te vluchten.
Ondanks de vlucht blijft haar droom zo goed te leren harpspelen dat ze later als harpiste aan het hof van koningen en keizers mag op treden.
